Grieks theater: ICT-opdracht

Zoek de antwoorden op volgende vragen via de gegeven links. Uiteraard mag je ook nog andere bronnen raadplegen.
Zorg dat je de antwoorden samengevat noteert (dat mag in een Word-document dat je naar jezelf stuurt). Noteer niet te weinig, maar ook niet te veel. Copy-paste de informatie niet zomaar, maar zorg dat je begrijpt wat je in je antwoord vermeldt. Uiteindelijk zullen deze kopieën immers je leerstofnotities zijn.

1. a. In de klassieke toneelstukken, bv. bij de oude Grieken, ontwikkelde een dramatisch conflict zich altijd op dezelfde manier: ofwel tussen goden en mensen, ofwel tussen de personages. Hoe noem je de belangrijkste personages in een Griekse tragedie? (link)

1. b. Bovendien verliepen de toneelstukken volgens een vast patroon. Dat patroon werd later, tijdens de renaissance door de grote toneelschrijvers overgenomen. Hoe zag de opbouw van een klassiek toneelstuk eruit? Wat gebeurde er in elk onderdeel? (link)

2. Het toneel in de Griekse Oudheid is nauw verbonden met de god Dionysos. Leg uit. (link)

3. Noem de belangrijkste thema's uit het Griekse drama. (link)

4. Aristoteles wordt als de theoreticus van het Griekse toneel beschouwd. Er wordt een aantal regels en wetten waaraan een tragedie moest beantwoorden, aan hem toegeschreven. Daarnaast was er ook een regel die bekend werd als 'de wet van de drie eenheden'. (link)

5. Een andere voorwaarde waaraan volgens Aristoteles een tragedie moest voldoen, was dat ze tot een catharsis moet leiden. Lees daarvoor de beschouwingen over voetbal in je handboek p 298-299.
a. Wat bedoelde Aristoteles met catharsis?
b. Welke vergelijking kun je maken tussen voetbal en theater?

6. Het echte Griekse drama zou begonnen zijn met Thespis. Wat deed die man dan wel waardoor je van echt spelen/uitbeelden kon spreken? (link)

7. In de Griekse Oudheid waren er drie grote tragedieschrijvers: Aeschylos, Sophocles en Euripides. Leg hun belang uit. (link en link)

8. Lees de inhoud van Koning Oedipus in je handboek p 336-337 en los de volgende vragen op.
a. Welke verschillende fasen kun je in de handeling onderscheiden en wat betekenen ze?
b. Waar is er in dit stuk sprake van het noodlot? Onder welke vorm komt het hier voor?

9. Om het probleem van de eenheid van plaats te omzeilen en uit kiesheid (over bepaalde zaken spreekt men niet...) kwam er in de Griekse tragedie dikwijls een bodeverhaal voor.
Zoek op de volgende site op wat dat betekent. (link)

10. Soms kwam er in een Grieks stuk ook 'een deus ex machina' voor. Leg uit. (link)

11. Je krijgt een plattegrond van een Grieks theater. Duid de volgende elementen aan: de orchestra, het theatron, de skene. (link
Leg ook uit waarvoor het diende. (link)

12. Zoek informatie over spelen met maskers. (link

 

Tags: